| Aantekeningen |
- Vroegdoop
De "Princelijke wagenmaker" woonde in de "Drie Hollandsche Nachtegalen"op de hoek van de Kikkersteeg en het Haagse Veer.
Hij ging steeds met zijn vader mee op het schip naar Namen, Nijmegen enz.
Tot hij 1705 is hij aan boord. Daarna drie jaar schoenmaker in de Korte Hoogstraat. In 1708 is hij wagenmaker. Hij werkt in 1713 te Capelle aan de IJssel. Hij woont in 1729 aan het Haagsche Veer; in 1732 aan deDelftse Vaart; in 1747 in de Kikkersteeg en in 1787 aan de Hoogstraat. Deze gegevens zijn ontleend aan het Rotterdamse jaarboek 1892, pag 231. Zijn werkplaats heet "Drie Hollandsche Nachtegalen". In 1730 bestelt de burgemeester van Delft een arreslede bij hem.
Cornelis Johannesz. is vooral bekend als vurig Oranje klant en heeft in 1747het zijne bijgedragen tot de verheffing cab Prins Willen II als stadhouder van Holland.
Met een menigte aanhangers van het Oranjehuis trok hij naar het stadhuis om de heeren burgemeesteren te verzoeken,dat zij den Prins, voor zover het de stad betrof, de ambten zouden opdragen, welke zijn voorvaderen hadden bekleed.
Het stadsbestuur, bang voor oproer, gafaan deze wens gehoor.
Kees voelde zich nu een man van gewicht. Het jubelende volk droeg den nieuwbakken volksleiderin triomf op de schouders naar zijn wagenmakerij,waar duchtig feest gevierd werd en de zilveren kom,gevuld met vurigen oranjewijn van mond tot mond ging.Anderen gingen de klok luiden, "zoodat het een vermaek wasom te hooren". Met een tamboer aan het hoofd trok een grote menigte driemaal de kerk in het rond,terwijl intussen de Prinsenvlag op de toren werd gepland. De hele stad wasin repin roer. "Geen oud wijf", zo vertelt Cornelis zelf, "Bleef bij haar spinnewiel". Onze wagenmaker had naar zijn zeggen, "Alles alleen gedaan uit liefde voor Godsdienst, Vaderland en het Oranjehuis". Toen echter een vakgenoot zich overal voor van Oeveren ging uitgeven, trok hij op16 januari 1748 met zijn broer naar Den Haag, om de Prins te vertellen, dat zij het geweest waren, die in Rotterdam zijn verheffing hadden weten te bewerken.
Zij werden vriendelijk intvangen en de zilveren kom, die bij het feest de ronde hadgedaan, werd erkentelijk als geschenk aanvaard.
Nog in hetzelfde jaar 1748 kreeg Kees zijn beloning. Hij werd Hofhellebaardier bij de Admiraliteit op de Maas. Op 14 Augustus 1748 werd hij inj dit ambt beedigd. Hij is dit gebleven tot 1782, waarna hij een jaargeld van de Prins kreeg uit diens eigen middelen. In 1780 gaat hij een schotel brnegen aan Prins Willem V in het Huis ten Bosch in Den Haag met een vers erop.
"Ziet hier VAN OEVEREN, den spreker van "t gemeen,
Zoodra "t Oranjelicht aan Hollands Kim verscheen,
Die Rotte en Maes haar trouw aan FRISO op help dragen,
Dees Wagenmaker eert d?ranje Zonnewagen".
Meermalen kwam hij met de stadhouderlijke familie in aanraking. Daardoor haalde hij zich de vijandschap van de Patriotten op de hals. Er verschenen dan ook verschillende spotprenten en schimpschriften op hem.
Literatuur: J.M. Droogendijk, Uit de stad van Erasmus, Rotterdam, 1929, Uitg. Ulrich & Zoon, nr 36 plus afbeelding.
In een testament van Notaris van Wening, reg 3451 pag 172 staat er op 19 september 1778 een clausule over de langstlevende opgenomen en verder vermeldt het testament nog de namen van zuter Maria van Oeveren en Jan de Vries en Maria Elisabeth Dupkes, dienstmaagd van vrouw Belleart. Maria huwt later met zeeschipper Dahlberg. Op 18 april 1780 wordt vermeld: fl 200,= naar zuster, Fl 200,= naar mevr Dahlberg-Dupkes, enz, enz.
|